Ontmoetingskunst



Op straat spreek ik wel eens mensen aan,met persoonlijke dingen, maar dat mag eigenlijk niet. Je kunt niet zomaar vreemden aanspreken met persoonlijke vragen. Hoe slaapt u het liefst? wat vind u van mijn neus? Van hoeveel personen houdt u? Houdt er ook iemand van u? Ik ben vier jaar geleden begonnen deze grens op te rekken. Ik voelde ik mij miserabel. Ik ben van mijn werk gevlucht, van plan om thuis onder een tafel te gaan liggen. Onderweg naar huis had ik behoefte aan contact. Ik wilde bij iemand zijn.
Ik belde aan. Een vrouw deed open, ik vroeg of ik binnen mocht komen. Het mocht. Ik heb daar de hele ochtend gezeten,
smiddags mee gegeten. Rondleiding door het huis gekregen. Ik mocht ook op zolder gaan kijken, zei haar man. Als ik iets
moois zag waardoor ik me beter zou voelen mocht ik het meenemen. Een patroon is ontstaan.

Ik ben gaan aanbellen voor antwoorden, voor oppervlakkig contact, voor het zitten op een fijne bank, voor het nabespreken
van de dag of het delen van een pak koekjes. Maar ik doe het vooral als ik me slecht voel, als ik niet wil dat iemand die ik ken mij ziet.
Contact is heel bijzonder. Het voedt. Ik kom in een leven en ik ga weer weg. We delen iets. Oprecht omdat je niet bang hoeft te zijn. Het moment gaat namelijk altijd voorbij. Deze vluchtige momenten zijn bijna een verslaving. Ik wil bij iedere deur aanbellen. Ik wil iedere binnenkant zien, ik wil iedere huiselijke route uitstippelen, ieder fotoboek bekijken, iedere verzameling ontleden, ieder verhaal eruit peuteren. Nu heb ik een vorm gevonden die het legitiem maakt. Ik heb een flat. Waar ik mag aanbellen. Woonzorg nederland wil graag dat ik zorg voor meer sociale cohesie. Ik kan mijn nieuwsgierigheid, mijn menselijke verslaving bevredigen.

Project:
3 appartement complexen in de binnenstad: De Tolbrug complexen.
Samen 500-600 bewoners. Waarvan de meesten elkaar niet kennen en mij ook niet.